Illegaal gebruik in het vakantiepark
Door een tekort aan reguliere woningen komt permanente bewoning op vakantieparken de laatste jaren steeds vaker voor. In de praktijk gaan gemeenten daar verschillend mee om.
Kan een vakantiepark worden omgezet naar permanent wonen?
Veel gemeenten worstelen met de vraag wat ze aan moeten met het permanent bewonen van recreatiewoningen die nooit bedoeld zijn voor permanent gebruik ofwel een reguliere woning. Het gaat in die gevallen niet om een enkele afwijkingen van het gebruik maar vaak om een situatie waarbij een groot deel van zo’n vakantiepark niet meer recreatief (tijdelijk) wordt bewoond. Een onderzoek moet dan uitwijzen of zo’n park nog “vitaal” is als vakantiepark of niet. Van belang daarbij is of het merendeel van die vakantiewoningen of zelfs het park als zodanig niet (meer) voldoet aan de recreatieve bestemming.
Een gemeente kan samen met de parkeigenaar of bewoners kiezen voor het planologisch omzetten van de recreatieve bestemming naar een reguliere woonbestemming. Daar zitten echter meer haken en ogen aan dan men denkt. Gemeenten willen allereerst geen gemengd park laten ontstaan waarin zowel recreatief als permanent door elkaar wordt gewoond. Het betreft immers dezelfde soort woningen maar de vakantiewoningen zullen moeten voldoen aan meerdere strengere eisen, zowel constructieve wooneisen als planologische en milieutechnische voorwaarden bij gemeente en provincie.
In het onderhavige geval is een transformatie van het park blijkbaar niet aan de orde. De gemeente Arnhem zet in op het aanpakken van illegale permanente bewoning via een nieuw specifiek bestemmingsplan voor het vakantiepark in kwestie. In dat bestemmingsplan is het begrip “overtreder” ruimer omschreven zodat niet alleen de huurder maar ook de eigenaar van de vakantiewoning aansprakelijk gesteld kan worden.
Wie is de overtreder bij illegaal gebruik
Er is in uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak in de laatste jaren een duidelijke lijn uitgezet wie aangesproken kan worden als “functionele” overtreder, als een gemeente ervoor kiest om een handhavingsprocedure te starten. Allereerst kan diegene aangesproken worden die feitelijk de overtreding begaat. Dat is in dit geval de huurder van de woning, maar dat zal geen verrassing zijn. Interessanter is of ook de woningeigenaar of de eigenaar van het vakantiepark als “functionele overtreder” kan worden aangeschreven. In recente uitspraken van de Afdeling is een kentering ontstaan en heeft de bestuursrechter meer aansluiting gezocht bij het begrip “dader” in het strafrecht (ECLI:NL:RVS:2023:2071 en ECLI:NL:RVS:2023:2067).
Dat betekent dat per geval moet worden beoordeeld. Het is dus niet meer bij voorbaat zo dat “diegene die het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen” (dus ook de eigenaar) automatisch als overtreder kan worden aangemerkt. Dit was jarenlang een gangbare praktijk bij handhavingsprocedures. Als de eigenaar kan aantonen dat hij geen aandeel heeft in de overtreding en er redelijkerwijze ook niets van kon weten, ofwel de “omgekeerde bewijslast”, dan zal een handhavingsprocedure tegen hem niet slagen.
De gemeente kiest voor een nieuw bestemmingsplan
Uit de recente uitspraak van de Afdeling blijkt :
“Met het vastgestelde bestemmingsplan beoogt de raad ook de eigenaar van Vakantiepark Arnhem rechtstreeks aan te kunnen spreken als overtreder indien een recreatiewoning in strijd met de planregels permanent wordt bewoond.”
In het licht van de hierboven beschreven recente jurisprudentie van de Afdeling is het niet duidelijk waarom de gemeente Arnhem voor het instrument van een nieuw bestemmingsplan kiest. Een nieuw bestemmingsplan is nogal een overdreven instrument enkel om het begrip “overtreder” aan te passen, ofwel om daar de rol van de “eigenaar” aan toe te voegen. Of een eigenaar daadwerkelijk als “functionele overtreder” kan worden aangemerkt zal uiteindelijk in een handhavingsprocedure door de bestuursrechter moeten worden beslist, ongeacht de omschrijving in planregels.
Daarnaast kan men zich afvragen of de eigenaar van het vakantiepark zich voldoende heeft gerealiseerd dat beroep tegen het bestemmingsplan niet het middel is om zijn doel te bereiken.
De Afdeling beslist dat het beroep tegen het bestemmingsplan wordt afgewezen. Appellant heeft een jarenlange (overbodige) procedure gevolgd over een kwestie die in de jurisprudentie al is uitgemaakt.
Willem de Wit
Wanneer heeft bezwaar tegen een omgevingsvergunning kans van slagen?
Op het moment dat iemand bezwaar (of beroep) heeft tegen een verleende vergunning zal een commissie bezwaarschriften en ook de bestuursrechter allereerst onderzoeken of de bezwaarmaker ontvankelijk is en of de bezwaargronden ontvankelijk zijn. Maar welke criteria worden daarbij toegepast.
Kennelijk niet-ontvankelijk
Voordat er een inhoudelijke beoordeling van bezwaargronden plaats vindt zal allereerst zal worden bezien of een bezwaarmaker als persoon "ontvankelijk" is in bezwaar. Hierbij wordt onderzocht of bezwaarmaker een bepaald belang heeft bij de verleende omgevingsvergunning waartegen hij bezwaar heeft gemaakt. Hierbij is o.a. belangrijk op welke afstand bezwaarmaker woont t.o.v. de locatie van de verleende vergunning en of hij zicht heeft op die locatie. Ook zal moeten worden aangetoond of dat belang van persoonlijke aard is of van algemene aard. Iemand die bezwaar maakt tegen een bouwplan dat op een aantal kilometers van zijn woning wordt uitgevoerd zal al snel als "kennelijk niet-ontvankelijk"worden aangemerkt, tenzij hij aantoont dat er wel een persoonlijk belang is.
Welke toetscriteria worden toegepast
Er bestaat inmiddels een jarenlange reeks aan uitspraken met criteria en voorbeelden hoe er tot aan de hoogste rechter, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, is beslist:
"Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit waarop het verzoek om handhaving betrekking heeft, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium gevolgen van
enige betekenis van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis
heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen.
Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn,
kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn".
Heeft het zin om bezwaar te maken?
Die vraag kan over het algemeen op voorhand vrij eenvoudig worden beantwoord. Het toepassen van de toetscriteria van belanghebbendheid kunnen van tevoren worden onderzocht, voordat met als bezwaarmaker hoge kosten maakt aan lange juridische procedures. Jammer genoeg zijn advocatenkantoren niet altijd helder tegenover hun klanten en start men een juridische procedure die lang duurt en veel geld kost, terwijl men van tevoren al weet dat de kans van slagen klein is en een klant valse hoop krijgt. Een duidelijke en eerlijke bespreking en afweging vooraf geeft een potentiële bezwaarmaker beter zicht welke keuze gemaakt moet worden, vooral omdat het meestal gaat om situaties waarbij veel emotie speelt.
Willem de Wit
[email protected]
De Galaxy Tower versus het klimaat
Het college van B&W van Utrecht verleent een omgevingsvergunning voor de bouw van een hoteltoren met 316 appartementen op het Jaarbeurscomplex. De SSLU (Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht) en de daaruit voortgekomen Klimaatpartij vrezen verslechtering van luchtkwaliteit in Utrecht en maken bezwaar tegen het besluit.
Belangen afwegen
Het bestuursrechtelijk belang wordt beoordeeld vanuit een verleende vergunning. Hoe zo ‘n rechtstreeks en concreet persoonlijk belang moet worden beoordeeld is al in veel verschillende gevallen in de jurisprudentie verduidelijkt. De wettelijke basis is artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Bezwaren tegen een vergunning voor het bouwen van een woning door een bezwaarmaker die honderden meters verderop in de straat woont zal in de regel als niet-ontvankelijk worden beoordeeld. De toe te passen zicht of afstandscriteria zullen in zo ’n geval meestal in het nadeel van de bezwaarmaker worden uitgelegd. Het geval zal anders liggen als de bezwaarmaker een directe buurman is die concreet kan aantonen dat hij door de bouw benadeeld wordt of overlast zal ondervinden.
Bezwaarmakers zijn rechtspersonen
De rechter heeft in de zaak van de Galaxy Tower allereerst bekeken in hoeverre het belang van bezwaarmakers bij de vergunning “rechtstreeks” is. Bezwaarmakers zijn in dit geval geen particuliere burgers maar een stichting en een vereniging die handelen op basis van statuten en gemeenschappelijke doelstellingen. Daarom is aanvullend beoordeeld of zij vanuit hun feitelijke en bijzondere werkzaamheden als rechtspersoon het algemeen belang zodanig behartigen dat dit ook als “rechtstreeks” belang met betrekking tot het besluit kan worden aangemerkt. De stelling van bezwaarmaker SSLU was dat het vergunde gebouw niet zou voldoen aan de regels van energiezuinig bouwen. De opwekking van extra benodigde energie zou in algemene zin meer Co2-uitstoot en daarmee ook meer luchtvervuiling in Utrecht opleveren, zo stelt bezwaarmaker.
Luchtkwaliteit in de regio Utrecht
Zowel de rechtbank als de hoogste bestuursrechter gaan daar niet in mee. De opwekking van (mogelijk extra) energieverbruik voor de vergunde hoteltoren kan niet rechtstreeks worden gelinkt aan de luchtkwaliteit in de regio Utrecht. De belangen van SSLU als stichting liggen immers concreet in de regio Utrecht terwijl de opgewekte (extra) energie niet aantoonbaar in diezelfde regio ligt. Geen rechtsreeks belang dus. De Klimaatpartij is een politieke partij die als zodanig eveneens geen rechtsreeks en concreet belang bij de vergunde omgevingsvergunning kan hebben.
Bezwaar niet-ontvankelijk of bezwaar ongegrond?
Volgens de rechtbank Midden-Nederland had het college van B&W de bezwaarmaker niet-ontvankelijk in bezwaar moeten verklaren. In plaats daarvan heeft de gemeente het bezwaar ongegrond verklaard en daarmee in feite de ontvankelijkheid van bezwaarmakers geaccepteerd. De rechtbank verklaart de bezwaarmakers alsnog niet-ontvankelijk en de Afdeling bevestigt dit.
Waarom is dit verschil van belang. Als een bezwaar niet-ontvankelijk is dan is niet aangetoond, althans het is niet aannemelijk gemaakt, dat de bezwaarmaker een rechtsreeks en direct belang heeft bij het genomen besluit. Er wordt vervolgens geen inhoudelijke toets meer gedaan op de details van de vergunning. Dat is voor een vergunninghouder een steviger en beter uitgangspunt in een juridische procedure. Mocht de verleende vergunning namelijk gebreken bevatten dan wordt daar in bezwaar en beroep geen aandacht aan geschonken. Aan de inhoudelijke toets komt men immers niet toe.
Willem de Wit
[email protected]
"Vertuining” in het buitengebied
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State deed onlangs een uitspraak over een geval van “vertuining” in het buitengebied van de gemeente Oss.
Praktische oplossing met haken
In de afgelopen jaren is in gemeenteland een ontwikkeling te zien van het omzetten van voormalige agrarische percelen naar een ander gebruik, bv. woondoeleinden. Het gaat om een praktische oplossing voor zowel de verkopende agrariër, de opvolgende burger bewoner als de gemeente. Maar er zitten haken aan deze oplossing.
Kan landschappelijke inpassing worden gegarandeerd?
De nieuwe woonpercelen beschikken vaak over een flinke lap grond waarvan maar een ondergeschikt deel is mee veranderd naar het nieuwe woongebruik. Vaak is aan het nieuwe gebruik van wonen de voorwaarde gekoppeld dat een groot aantal vierkante meters aan agrarische gebouwen moet worden afgebroken. Op deze wijze moet de landschappelijke inpassing en uitstraling worden gegarandeerd. Toch zijn de overgebleven schuren vaak nog zo groot dat de (burger) bewoner er geen raad mee weet. Het gebeurt regelmatig dat dergelijke gebouwen worden verhuurd aan derden voor allerlei soorten bijverdiensten. Hierdoor worden nieuwe problemen geschapen omdat het gebruik door de huurder vaak niet aan de gebruiksvoorwaarden van woondoeleinden voldoet.
Recreatieve tuin is aantasting landschap
In het betreffende geval in Oss heeft een bewoner een stuk grond met een agrarische (of natuur) bestemming ingericht als recreatieve tuin bij de woning, een geval van “vertuining”. Het stuk agrarische grond werd ingericht met een kunstmatige vijver, stenen pad er omheen, houten tuinhuis met veranda en allerlei sierbeplanting. Volgens de gemeente werd hierdoor de openheid en de uitstraling van het landschap aangetast. De aangevraagde omgevingsvergunning werd geweigerd.
Omdat de gemeente zowel in haar bestemmingsplan als in aanvullende beleidsnota ‘s deze vorm van “vertuining” wil tegengaan, is het weigeringsbesluit door alle rechterlijke instanties bevestigd.
Spanningsveld
De gemeente heeft in casu goed gehandeld, maar deze zaak legt wel een spanningsveld bloot. Waar moet de grens liggen tussen behoud van agrarisch of natuurlandschap en de groeiende vraag naar woningen en herontwikkeling van dit soort landschappen.
Willem de Wit
Zijn de algemene voorwaarden van de ANWB onredelijk bezwarend?
De ANWB maakt in vakantieweken ieder jaar overuren bij het helpen van vakantiegangers die in het buitenland in de problemen zijn geraakt. Maar welke klant leest bij het afsluiten van een lidmaatschap eigenlijk de algemene voorwaarden die de ANWB daarbij hanteert? In deze casus is beoordeeld of de voorwaarden van de ANWB “onredelijk bezwarend” zijn.
De caravan blijft achter in Frankrijk
Gedupeerde X is met zijn auto en caravan in Frankrijk maar krijgt autopech. Als ANWB-lid krijgt X een vervangende auto, maar deze kan geen caravan trekken. De caravan blijft achter in Frankrijk en wordt via de ANWB bij een erkende garagehouder gestald tot het moment van repatriëring. Ruim twee weken later maakt de Franse garagehouder melding van diefstal van de caravan.
Omdat X de caravan verzekerd heeft bij maatschappij Univé wordt zijn schade vergoed. Maar Univé wil de uitbetaalde schade terug krijgen van de ANWB. Dit punt is van belang omdat gedupeerde X, zijnde een consument, geen partij meer is maar verzekeringsbedrijf Univé in de rechten van X is getreden (zogenaamde subrogatie).
De ANWB sluit aansprakelijkheid uit bij schade
In de algemene voorwaarden van de ANWB is te lezen dat aansprakelijkheid voor schade tijdens “stalling en transport” en “diefstal” wordt uitgesloten. Univé vindt deze bepaling “onredelijk bezwarend” en stelt dat de ANWB (en de garagehouder in haar opdracht) zich in haar handelwijze schuldig heeft gemaakt aan “opzet of bewuste roekloosheid”. Het is daarom volgens Univé niet redelijk dat de ANWB zich verschuilt achter haar algemene voorwaarden. De ANWB en de garagehouder hadden de caravan beter moeten beschermen en ook eerder terug moeten laten brengen.
Wanneer zijn algemene voorwaarden onredelijk?
Weinig ondernemers en particulieren zijn zich bewust van de werking van algemene voorwaarden. Bij het aangaan van verplichtingen worden deze voorwaarden nauwelijks gelezen. Dat levert grote risico ’s op. Als het tot een juridische procedure komt, zal de rechter altijd de omstandigheden van het geval bekijken alvorens uitsluitsel te geven over redelijkheid en toepasbaarheid van algemene voorwaarden. Dat is althans zo bij de zogenaamde “grijze lijst” uit artikel 6:237 BW waaraan die voorwaarden worden getoetst. Als het om een geschil tussen een ondernemer en een consument (particulier) gaat, dan zal de consument meer worden beschermd dan wanneer het om een geschil tussen ondernemers onderling gaat. In dit geval treedt Univé in de rechten van particulier X en van Univé wordt verwacht dat zij thuis is in de problematiek van algemene voorwaarden.
Overigens bestaan er ook bepalingen uit een “zwarte lijst”, artikel 6:236 BW, die altijd als onredelijk en zelfs “nietig” worden aangemerkt. Dergelijke bepalingen in algemene voorwaarden kunnen nooit slagen omdat ze bijvoorbeeld in strijd zijn met de wet.
Kan de schade aan de ANWB worden toegerekend?
De schade is ontstaan bij de Franse garagehouder. Doordat de ANWB dit bedrijf heeft ingeschakeld is zij in feite ook voor deze partij aansprakelijk. Schade die veroorzaakt wordt door “opzet of bewuste roekeloosheid” is echter nogal ernstig en niet zo makkelijk te bewijzen. Univé slaagt daar in ieder geval niet in. De rechter merkt de ANWB aan als gerenommeerd en betrouwbaar bedrijf. Aan de ANWB als zodanig kan gezien de feitelijke omstandigheden geen opzettelijke roekloosheid worden verweten omdat zij de caravan niet zelf onder haar hoede had. Zij heeft de auto van gedupeerde X weggesleept en gezorgd voor vervangend vervoer. Daardoor wordt de uitsluiting van schade door de ANWB in dit geval ook niet als onredelijk beoordeeld. Univé heeft vervolgens niet concreet kunnen bewijzen dat de Franse garagehouder opzettelijk roekeloos heeft gehandeld. De ANWB werkt al langer samen met dit bedrijf met een moderne bedrijfslocatie ter plaatse. De ANWB mocht haar algemene voorwaarden van toepassing verklaren.
Beroep op grove schuld en bewuste roekeloosheid
De conclusie is dat Univé eigenlijk meer gedegen feitenonderzoek had moeten doen alvorens een schadevordering te starten op basis van “opzet en bewuste roekeloosheid of grove schuld”. Uit de jurisprudentie blijkt dat toekenning daarvan niet snel zal worden gedaan. Univé stelde bijvoorbeeld dat de caravan in Frankrijk buiten het beveiligde terrein van de garagehouder was gestald, maar leverde daar vervolgens geen harde bewijzen voor. Hetzelfde geldt voor het verwijt dat de beveiligingscamera ter plekke niet zou werken. Het was voor de rechter in ieder geval geen reden om “grove schuld” aannemelijk te achten.
Willem de Wit
Is de ‘macht’ van de aannemer in de bouw doorbroken?
De positie van projectontwikkelaars en aannemers lijkt sterk vanaf het moment dat een koper een koop-en aannemingsovereenkomst heeft gesloten. De koper is ‘overgeleverd’ aan de aannemer en kan de voortgang in de bouw alleen maar afwachten. Anderzijds dient de koper zich strak aan de betalingstermijnen van de aannemer te houden. Menig koper kan zich vervolgens machteloos voelen. De Voorzieningenrechter van de rechtbank in Overijssel denkt daar anders over.
Trage voortgang bouwprojecten
Vooral in de afgelopen jaren van krapte op de woningmarkt zien we nieuwbouwprojecten als paddenstoelen uit de grond rijzen. Aannemers en bouwbedrijven komen om in het werk, hebben te weinig personeel en zijn met meerdere projecten tegelijk bezig. Daarbij komt het regelmatig voor dat een bouwproject tijdelijk stil ligt en kopers gefrustreerd raken over de langzame voortgang van ‘hun’ project. Anderzijds constateren die kopers dat het bouwbedrijf wel snel is met het sturen van (termijn) facturen met betrekking tot de bouwfasen. Indien de koper niet op tijd betaald wordt gedreigd met stilleggen van het project. De koopovereenkomst, een verbintenis waaruit juridisch gezien wederzijdse rechten en plichten voortkomen, lijkt in de praktijk meer op een eenzijdige overeenkomst ten gunste van de aannemer/projectontwikkelaar.
Onvoltooid project
In Deventer waren kritische kopers niet van plan om bouwtermijnen te betalen voor werkzaamheden die feitelijk nog niet door de aannemer waren gerealiseerd. Met een eigen deskundigenrapport in de hand eisten de kopers dat de betreffende werkzaamheden door de aannemer moesten worden voltooid. De projectontwikkelaar ontbond vervolgens de koopovereenkomst waardoor de kopers met een onvoltooid project bleven zitten.
Mocht de projectontwikkelaar de overeenkomst ontbinden?
De rechter en het Burgerlijk wetboek geven de kopers volledig gelijk. Wettelijk is duidelijk vastgelegd dat een bouwtermijn pas betaald hoeft te worden, als de werkzaamheden die bij die bouwtermijn horen gereed zijn. Artikel 7:767 BW bepaalt bovendien dat teveel betaalde bedragen aan de koper terugbetaald moeten worden. Het bijzondere in deze zaak is dat de rechter beslist dat de aannemer een deskundige van de kopers op de bouwplaats moet toelaten zodat deze kan beoordelen of de werkzaamheden ook echt voltooid zijn.
De projectontwikkelaar had de koopovereenkomst niet mogen ontbinden en dient de werkzaamheden bij de opgegeven bouwtermijn binnen 10 dagen na het vonnis alsnog te voltooien, op straffe van een hoge dwangsom.
Willem de Wit
[email protected]
Waarom moeten ondernemers overeenkomst, forumkeuze en transportafspraken op elkaar afstemmen?
Als ondernemers een koop/verkoop overeenkomst sluiten dan wordt door hen vaak niet gerealiseerd dat alle keuzes die men daarbij maakt op elkaar afgestemd moeten zijn. Een afwijking kan vervelende gevolgen hebben.
De plaats van de levering is belangrijk
Als handelende partijen afspraken maken over het transport en de levering van de tussen hen gekochte/verkochte goederen, dan spreken zij daarmee bewust of onbewust een bepaalde leveringsconditie of Incoterm af. Over en weer gelden vervolgens rechten en plichten met betrekking tot de goederen die geleverd gaan worden. Men legt dan bijvoorbeeld vast dat de goederen van specifieke plaats A naar specifieke plaats B worden vervoerd, met welke transportmiddelen dat gebeurd en wie van de partijen dat regelt en betaald tegen welk risico.
Ook kan contractueel worden vastgelegd welke rechter bevoegd is om te beslissen als één van de partijen zich niet aan de afspraken houdt (forumkeuze). De keuze voor een bepaalde leveringsconditie heeft echter ook direct gevolgen voor de toepasselijke rechter.
Indien bijvoorbeeld koper A uit Nederland goederen koopt van verkoper B in Slowakije op basis van levering Ex-Works (plaats…) Slowakije, dan is koper A verantwoordelijk voor het gehele transport vanaf het afgesproken verkooppunt in Slowakije tot aan de eigen basis in Nederland. Bij Ex-Works vindt de feitelijke levering van de goederen plaats in Slowakije en niet op de eindbestemming in Nederland. Dat geval speelt in een recente uitspraak van de rechtbank in Den Haag.
Waarom geen rechter in Nederland?
In internationale verdragen (onder andere in Brussel I bis-VO en Weens koopverdrag) is het uitgangspunt dat de plaats van de levering van goederen ook beslissend is voor de plaats van de bevoegde rechter. Koper A was in de veronderstelling dat onder andere door de gekozen forumkeuze voor Nederland in zijn algemene voorwaarden bij het contract, de Nederlandse rechter bevoegd was. Echter door het kiezen van Ex-Works Slowakije hebben koper en verkoper juist afgesproken dat de levering al eerder, namelijk in Slowakije zou plaatsvinden. De rechtbank in Den Haag verklaart zich daardoor onbevoegd om van de vordering kennis te nemen.
Welke rol spelen algemene voorwaarden?
Koper A is van mening dat de forumkeuze voor de Nederlandse rechter via zijn algemene voorwaarden met verkoper was afgesproken. Het is mogelijk dat handelende partijen gezamenlijk een bepaalde forumkeuze maken, ook als deze niet logisch zou zijn of voorgeschreven in het vervoersrecht. Daarbij is het van belang dat die algemene voorwaarden door de tegenpartij uitdrukkelijk worden aanvaard. In vaste jurisprudentie is uitgemaakt dat een tegenpartij die voorwaarden uitdrukkelijk moet accepteren. De bewijslast dat dit is gebeurd ligt bij de partij wiens voorwaarden worden gebruikt. Er kan anders later geen beroep op worden gedaan.
Waarom is het vastleggen van een forumkeuze belangrijk?
Het is voor handelende partijen op zich niet verplicht om een bepaald rechtsstelsel of een bepaalde rechter te kiezen. Als partijen niets regelen dan gelden er automatisch (internationale) regels die een rechtsstelsel of rechter bevoegd maken. Dat hoeft op zich geen probleem te zijn. Voor Nederlandse maar ook buitenlandse ondernemers zijn Nederlands recht en een Nederlandse rechter, wat (internationale) handel betreft, in ieder geval solide keuzes indien men zo min mogelijk risico wil lopen. Dat komt vooral door de ruime ervaring van het Nederlandse stelsel met internationale handel. Daarnaast zou het vervelend zijn als een Nederlandse ondernemer last heeft van het feit dat een buitenlandse rechter meer sympathie heeft voor een onderneming uit het ‘eigen’ land. Dat risico is groter indien men te maken heeft met rechters (vooral lokale) uit niet West-Europese landen. Spreken partijen niets af of komt men er niet uit, dan is de hoofdregel in artikel 4 Brussel I bis-Vo dat de rechter in het land van de gedaagde bevoegd is.
Willem de Wit
[email protected]
Lekkage in de meterkast; waarom wordt de schade niet vergoed?
In de meterkast van een pand ontstaat een lekkage in de kraan/koppelstuk van de waterleiding. Er ontstaat voor tienduizenden Euro aan schade. De eigenaar van het pand (een bedrijf) stelt een schadeclaim in tegen het waterbedrijf waarmee een leverings- en onderhoudscontract bestaat. Het waterbedrijf doet een beroep op een exoneratieclausule in haar algemene voorwaarden en stelt dat vergoeding van schade “in alle gevallen” is uitgesloten indien het zaken betreft die “gebruikt worden voor de uitoefening van een bedrijf of een beroep”. De rechtbank accepteert het uitsluiten van de schadevergoeding. Een dergelijk beding is niet ongebruikelijk tussen professionele partijen, vindt de rechter.
Exoneratieclausule sluit schadeplicht uit
Het is logisch dat een waterbedrijf op basis van een onderhoudscontract verantwoordelijk is voor het goed functioneren van de waterleiding en aanverwante onderdelen. Daar sluit je nu juist een onderhoudscontract voor af zou je zeggen. Dat het leverende bedrijf in datzelfde contract de verantwoordelijkheid voor schade uitsluit die ze juist zouden moeten voorkomen, kan in eerste instantie vreemd lijken. Toch is dat nu juist de bedoeling van een exoneratiebeding in algemene voorwaarden; het uitsluiten van schade waar je anders verantwoordelijk voor zou kunnen zijn. Dat neemt niet weg dat iedere clausule in een contract onderhandelbaar is. Een contractspartij is natuurlijk niet verplicht om iedere bepaling zondermeer te accepteren.
Kan uitsluiten van schadevergoeding dan zomaar?
Nee, zeker niet. In ieder concreet geval zal worden onderzocht hoe de schade is ontstaan en of het redelijk is om die aan een bepaalde partij toe te rekenen. Zo is dat ook in het onderhavige geval gebeurd, onder de noemer van “wie stelt moet bewijzen”. De pandeigenaar heeft verzuimd om de concrete oorzaak van de lekkage in beeld te brengen. Het zondermeer stellen dat het waterbedrijf schadeplichtig is vanwege een bestaand onderhoudscontract is te kort door de bocht, zo vond de rechter. De pandeigenaar kon in deze zaak geen concrete argumenten aandragen om aan te tonen dat de oorzaak van de schade bij het waterbedrijf lag. Daardoor kon ook niet worden bewezen dat het waterbedrijf een zorgplicht had geschonden. Had de pandeigenaar bijvoorbeeld kunnen aantonen dat het betreffende koppelstuk bij de kraan kort tevoren bij onderhoud door het waterbedrijf was vervangen, dan hadden de kaarten waarschijnlijk anders gelegen.
Hoe zit het dan met schade die te verwijten is?
Het opnemen van een exoneratiebeding in contract of algemene voorwaarden is dus altijd aan te bevelen voor een bedrijf dat een verplichting aangaat met een afnemer. Daarmee kun je voorkomen dat allerlei schade wordt toegerekend waar je als leverancier niet altijd iets aan kunt doen. Daarbij moet gezegd worden dat schade die ontstaat door aantoonbare opzet of bewuste roekeloosheid en ook verwijtbaar is, nooit kan worden uitgesloten. Gelukkig maar.
Willem de Wit
[email protected]
Een ondernemer verkoopt een met asbest besmet product en veroorzaakt schade bij de koper. Hoe nu verder?
Er wordt een gebrekkig product geleverd
Het bedrijf Eurogrit levert een partij straalgrit aan het bedrijf Hurks dat daarmee haar betonproducten straalt ofwel schuurt. Gritstralen lijkt op zandstralen maar dan met fijn grind. Eurogrit importeert het product uit de Oekraïne. Er blijkt asbest is het straalgrit te zitten. Hurks stelt Eurogrit aansprakelijk voor alle schade die het bedrijf zal lijden als gevolg van het tekortschieten van de verplichtingen door Eurogrit. Hurks moest bijvoorbeeld één van haar vestigingen voor korte tijd sluiten vanwege het saneren van aangetroffen asbest. Eurogrit haalt de partij ongebruikt straalgrit bij Hurks op en stuurt een creditnota. Ook worden de kosten van de asbestanalyse bij Hurks door Eurogrit betaald.
Kunnen algemene voorwaarden schadevergoeding verminderen?
In haar algemene voorwaarden vermeldt Eurogrit dat bij een reclame met betrekking tot gebrekkige producten de verplichtingen van Eurogrit gelimiteerd zijn tot het vervangen of herstellen van de gebrekkige producten of het vergoeden van het netto factuurbedrag. Eurogrit sluit haar schadeverplichting uit tot enkel “directe schade” aan haar producten. Hurks is het daar niet mee eens en vordert een bedrag van €331.457,16 aan schadevergoeding. Ook vordert Hurks schade die het bedrijf mogelijk in de toekomst nog zal lijden. Deze vorderingen zijn gebaseerd op een tekortkoming in de nakoming van een koopovereenkomst door Eurogrit.
Het gebrek in het product was niet te zien, wat nu?
Er is tussen partijen geen twijfel over het gebrekkige product dat is geleverd en dat een koper recht heeft op een degelijk product en daar ook voor betaald, zoals afgesproken in de koopovereenkomst. Hierin is Eurogrit tekort geschoten volgens de rechter. Omdat nakoming van de overeenkomst, ook met een vervangend product, vanwege de asbestbesmetting in dit geval niet mogelijk was moet Eurogrit schade vergoeden tenzij de schade niet toerekenbaar is. Artikel 6:75 van het Burgerlijk Wetboek sluit schadevergoeding namelijk uit als de verantwoordelijke er niets aan kon doen. De vraag hier is of Eurogrit er inderdaad niets aan kon doen dat er asbest in haar product zat. De rechtbank oordeelt dat verkoper Eurogrit aansprakelijk is, ook al was de schade op het moment van de verkoop niet bekend. Het is volgens de rechter niet redelijk om afnemer Hurks hiervoor op te laten draaien. Het is de rol van de verkoper om zelf verhaal te halen bij diegene waarvan oorspronkelijk het product is gekocht en waar de besmetting is ontstaan.
Wat valt onder “directe schade”?
De hoogte van schadevergoeding kan inderdaad worden beperkt in algemene voorwaarden. Eurogrit stelt daarin alleen aansprakelijk te zijn voor “directe schade” aan haar product. Maar wat is dan die “directe schade” in dit geval? De rechter maakt voor die uitleg gebruik van de alom bekende Haviltex-criteria. Dat betekent dat gekeken moet worden welke schade “redelijkerwijze” het gevolg is van het gebrekkig product. In dit geval vindt de rechter de uitleg in de algemene voorwaarden van Eurogrit te beperkt, in die zin dat alleen de schade aan het product zelf van toepassing zou zijn. Ook andere schade zou in redelijkheid mogen worden meegenomen als deze maar direct verband houdt met het gebrekkige product. Van belang is ook wat er gebruikelijk is in de branche waarin beide partijen werkzaam zijn. Afnemer Hurks heeft echter niet concreet gemaakt wat die gevolgschade nu precies is. Het is nu juist op dat punt waar de rechter in het duister tast. Beide partijen krijgen alsnog gelegenheid om te bepalen welke schade er nu precies onder “directe schade” valt in de gegeven omstandigheden.
Maak schade concreet
Allereerst is het van belang dat een onderneming goede algemene voorwaarden te heeft. Die kunnen de onderneming helpen om eventuele schade te beperken. Die beperking moet dan wel redelijk zijn en bijvoorbeeld niet een aansprakelijkheid volledig uitsluiten. Er moet ook rekening gehouden worden met de omstandigheden en de gebruiken in de branche waarbinnen de onderneming handelt. Daarnaast is het van belang dat in geval van schade partijen concreet aantonen welke schade er daadwerkelijk geleden is. Die schade zal altijd in alle redelijkheid en billijkheid moeten voortkomen uit het gebrekkige product, om daarmee als “directe schade” te worden aangemerkt. Het is daarnaast belangrijk dat partijen zich actief inzetten om schade zo beperkt mogelijk te houden en elkaar daarin ook te helpen. Het wordt niet als redelijk ervaren om een schade groter te laten worden en te menen dat de wederpartij deze toch wel zal moeten betalen. Een goede communicatie en goede samenwerking is niet alleen een vereiste ten tijde van het sluiten van een koopovereenkomst. Ook in de voorfase en de fase na realisering van een overeenkomst zijn partijen daartoe gehouden.
Willem de Wit [email protected]
De voetballer, de marketing en het contract
De Voorzieningenrechter in Amsterdam heeft onlangs in kort geding een interessante uitspraak gedaan over contractuele verplichtingen tussen Adidas en een professionele voetballer van F.C. Barcelona.
Beide partijen hadden een overeenkomst gesloten op basis van het Portretrecht (een vorm van Auteursrecht die valt onder de Auteurswet). De voetballer gaf aan Adidas het recht om vijf jaar lang gebruik te maken van zijn afbeeldingen voor marketingdoeleinden tegen een bepaalde financiële vergoeding.
Eenzijdig contract
Na vijf jaar verlengde Adidas het contract met een nieuwe periode van vijf jaar. De voetballer was het daar niet mee eens en beëindigde eenzijdig het contract. Ook stopte de voetballer met het dragen van de voetbalschoenen van Adidas. Het bleek echter niet mogelijk om het contract op te zeggen, althans om de verlenging tegen te gaan, omdat contractueel geen bepalingen waren opgenomen waar de voetballer een beroep op kon doen. Er waren anderzijds wel bepalingen opgenomen waarbij Adidas het contract kon verlengen. Niet eerlijk! zo merkte de voetballer in de juridische procedure op. Zijn verwijt kwam er kort gezegd op neer dat hij van mening was dat het contract te eenzijdig in het voordeel van Adidas was opgesteld.
Een voetballer is geen jurist
De Voorzieningenrechter beslist dat van een professionele voetballer verwacht mag worden dat hij weet waar hij zijn handtekening onder zet. De contractsbepalingen tussen Adidas en de voetballer zijn niet onrechtmatig of nadelig voor de voetballer. Verder is het contract in overeenstemming met wat partijen over en weer redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten (Haviltex). Tegenover de verplichtingen van de voetballer staat een aanzienlijke financiële vergoeding. Van enige onrechtmatige contractuele benadeling of onevenwichtigheid tussen partijen is geen sprake. Het verweer van de voetballer dat hij geen jurist is en dus van hem niet verwacht mocht worden dat hij kennis van alle details in het contract zou hebben, gaat niet op. De voetballer had het contract door een jurist kunnen laten beoordelen alvorens contractuele verplichtingen aan te gaan, zo vond de rechter.
Een wijze les
Van een professionele topsporter zou je inderdaad mogen verwachten dat hij juridische hulp inschakelt als het om een dergelijk (miljoenen?) contract gaat. Van een contractuele mogelijkheid om onder het contract uit te komen, namelijk het vinden van een sponsor met een beter aanbod, heeft de voetballer geen gebruik gemaakt. Het is overigens niet duidelijk of die mogelijkheid er feitelijk was. De wijze les die hieruit getrokken kan worden: “Schoenmaker (in dit geval een voetbalschoen) hou je bij je leest” en laat juridisch werk aan een jurist over.
Willem de Wit [email protected]
Wanneer zijn wervende teksten op websites misleidend?
Kan een dienstverlener aan klanten melden dat hij werkt op basis van “no cure no pay” en achteraf blijkt dat er toch voor de dienstverlening moet worden betaald?
Incassokosten
Het overkwam een klant van een invorderingsbedrijf die opdracht gaf voor een incassoprocedure. Op de website van het incassobureau is te lezen: “Uw losse opdracht … op basis van no cure no pay. Vooraf weten waar u aan begint en wat het u kost. Daarom werken we niet met kleine lettertjes”.
Dat lijkt een vrij alledaagse wijze van reclame maken. Maar de opdrachtgever was niet blij met het feit dat de invordering niet was geslaagd en hij desondanks een bedrag aan incassokosten moest betalen. Het incassobureau wees op haar algemene voorwaarden, waarin stond: “Incasseren wij niets, dan bent u slechts een vergoeding van €37,- verschuldigd voor de gemaakte kosten”. De klant accepteert dit niet en stapt naar de rechter.
Wat is bindend?
De kantonrechter in Amsterdam oordeelt dat een wervende commerciële tekst op een website niet bindend is voor een opdracht tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Dat opdrachtgever daar een bepaalde interpretatie aan geeft maakt dat niet anders. Wat partijen wel rechtens bindt zijn een ondertekende opdrachtverstrekking en daaraan gekoppelde algemene voorwaarden. De opdrachtgever heeft in dit geval ingestemd met het feit dat het incassobureau de opdracht uitvoert. Daarmee heeft opdrachtgever ook de algemene voorwaarden van het incassobureau geaccepteerd, zo vindt de rechter.
Kleine lettertjes
Opvallende noot is dat het incassobureau in kwestie op haar website meldt dat zij niet met kleine lettertjes werkt, terwijl algemene voorwaarden als zodanig in normaal taalgebruik wel als zodanig worden aangemerkt. De rechter vindt dat blijkbaar acceptabel en gaat er vanuit dat een opdrachtgever gewoonweg kennis moet hebben van algemene voorwaarden.
Hiermee is opnieuw aangetoond hoe belangrijk het is dat partijen goed op de hoogte zijn van algemene voorwaarden bij een opdrachtverstrekking. Men dient allereerst kennis te nemen van die voorwaarden en ze vervolgens ook te begrijpen. Het zijn tenslotte bepalingen die onderdeel zijn van een overeenkomst tussen partijen ook al is er niet specifiek een handtekening onder gezet. Hier moet overigens wel bij worden gezegd dat dit niet wil zeggen dat een misleidende reclametekst altijd acceptabel is en partijen nooit kan binden.
Een overeenkomst is meer dan alleen een contract
De praktijk leert helaas dat partijen te weinig letten op algemene voorwaarden maar alleen op de afspraken in een opdracht of contract. Algemene voorwaarden maken echter ook onderdeel uit van een opdracht/contract. Die voorwaarden zijn vaak voor partijen niet altijd makkelijk te lezen. Het is daarom raadzaam om daar juridische hulp voor in te schakelen.
De Wit Legal advies is gespecialiseerd in algemene voorwaarden en kan zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers daarbij ondersteunen.
Willem de Wit
[email protected]
Zijn Boilerplate clausules nodig in een contract?
Wat zijn boilerplates?
De eerste vraag die beantwoord moet worden is wat de betekenis is van zogenaamde “boilerplate clausules” in juridische zin. Een simpele vertaling uit het Engels, een ketelplaat, geeft niet veel uitsluitsel. Een verdere zoektocht levert hoogstens een verklaring op als: “vaste tekst die steeds opnieuw kan worden gebruikt”. Hoewel die betekenis aardig in de buurt komt, zegt het nog niet veel over de juridische en contractuele toepasbaarheid van het begrip.
Engels recht
Zoals de naam al doet vermoeden, komt het origine van de boilerplate uit het Engels recht ofwel Common Law. In tegenstelling tot het Europese civiele recht is het Engelse rechtsstelsel vooral gebaseerd op rechterlijke uitspraken en minder op wetteksten. Dit heeft tot gevolg dat in Engelse contracten niet veel wordt verwezen naar wetsartikelen, zoals bij ons bijvoorbeeld het Burgerlijk Wetboek, maar vooral gebruik gemaakt wordt van rechterlijke uitspraken in vergelijkbare gevallen. Een verwijzing naar een wetsartikel heeft minder tekst nodig dan een beschrijving van een vergelijkbaar geval. Om die reden zijn er standaard contractclausules ontstaan die in vergelijkbare gevallen in een contract kunnen worden opgenomen. Door het internationale commerciële- en rechtsverkeer zijn Boilerplate clausules ook in het Europese civiele recht niet meer weg te denken. Ik zal me in deze uiteenzetting beperken tot commerciële contracten.
Voorbeelden van Boilerplates
In de loop van de jaren zijn er verschillende Boilerplate clausules ontstaan. De clausules worden bijvoorbeeld gebruikt voor mogelijke conflictsituaties. Zo is één van de bekendste wel de “forumkeuzeregeling”. In een goed contract hoort een bepaling te staan welke rechter gekozen zal worden indien er een conflict tussen partijen ontstaat. Dat lijkt niet moeilijk maar in de praktijk is gebleken dat partijen er verstandig aan doen om zo ’n forumkeuze vast te leggen, al helemaal als ondernemende partijen in verschillende landen wonen. Er bestaan nogal wat verschillen tussen de rechten en verplichtingen van partijen en de interpretatie van rechters, ook binnen het Europese recht. Een Nederlandse ondernemer zal zich toch wat veiliger voelen als hij weet dat een conflict door een Nederlandse rechter zal worden behandeld en niet door een rechter in Italië, waar de andere contractspartij is gevestigd. Waarschijnlijk denkt de Italiaanse contractspartner daar precies hetzelfde over en dan is het een kwestie van onderhandelen hoe partijen er onderling uitkomen. Geven en nemen zullen we maar zeggen. Want er zijn nog andere boilerplates die ook heel belangrijk zijn en waarover onderhandeld kan worden.
Rechtskeuzeregeling
Niet minder en mogelijk zelfs belangrijker is de keuze van het rechtssysteem. Een Nederlandse ondernemer zal zijn contract het liefst onder het Nederlands recht willen laten vallen. De Italiaanse ondernemer zal waarschijnlijk liever het Italiaanse recht kiezen. Hoewel beide rechtsstelsels het Europese civiele recht als basis hebben, kunnen regels toch in detail anders worden uitgelegd. In het Nederlandse recht is de Haviltex systematiek bij oplossing van geschillen nadrukkelijk aanwezig. In de ons omringende landen is het minder sterk ontwikkeld dat naast rechtsregels ook handelingen en uitlatingen van partijen tegenover elkaar van belang zijn. Een ander voorbeeld is of partijen kiezen voor arbitrage, alvorens een conflict aan een rechter voor te leggen. Ook bij arbitrage kunnen volop keuzes worden gemaakt over wie, wat en waar. Hoewel partijen in principe vrij zijn om forumkeuze en rechtskeuze onderling af te spreken zitten er toch beperkingen aan die keuze. Een Spaanse rechter in Madrid zal zich niet snel geroepen voelen om een uitspraak te doen over Nederlands recht tussen twee Nederlandse ondernemers, maar dat lijkt logisch.
Neem altijd boilerplates op
Het lijken op het eerste gezicht onbelangrijke zaken om te regelen in een contract. Ondernemers zullen toch allereerst kijken naar duidelijke afspraken omtrent de koop en verkoop van hun goederen. Men gaat er dan niet meteen vanuit dat alles in het honderd loopt. Hoewel niemand er vanuit gaat is het toch verstandig om onderlinge afspraken te maken over een mogelijke conflictsituatie. Mocht die er onverhoopt komen dan heeft men een goede basis voor een oplossing. Mocht er geen conflict komen dan heeft men er geen last van dat men solide regels heeft afgesproken. Omdat het voor ondernemers niet altijd makkelijk is om over conflictregels te spreken is het aan te bevelen om hierbij de hulp van een juridisch adviseur met kennis van zaken in te roepen, bijvoorbeeld De Wit Legal advies; specialist in risicomanagement.
Willem de Wit
Wie moet vertragingsschade betalen?
Een ondernemer zal ongetwijfeld wel eens te maken krijgen met de volgende situatie.
Er worden goederen gekocht en daarbij wordt een bepaalde locatie afgesproken waar de goederen worden geleverd, bijvoorbeeld de Industrieweg 108.
Probleem bij de aflevering
Koper en verkoper spreken een tijdstip en een locatie af zoals door de koper opgegeven. De verkoper is niet bekend met de locatie en de chauffeur van verkoper brengt zoals afgesproken de goederen naar de Industrieweg 108 op de afgesproken tijd. Het blijkt een onoverzichtelijk landschap van allerlei bedrijfsgebouwen te zijn en een chaos aan nummers. Ter plekke is er niemand van de kopende partij aanwezig en de loods op de plaats van bestemming is gesloten. Het terrein van de loods is overigens ook geheel verlaten. De verkoper probeert tevergeefs contact op te nemen met de verkoper. De chauffeur van de verkoper wacht nog een uur en vertrekt daarna weer met de partij goederen.
Kort daarna belt de koper op en vraagt zich af waar de goederen blijven. Hij staat al een paar uur te wachten. De verkoper en koper komen er op dat moment achter dat de chauffeur van de verkoper bij de verkeerde loods heeft aangebeld. Het was weliswaar op de locatie Industrieweg 108 maar de betreffende loods was Industrieweg 108c en niet 108a waar de chauffeur had aangebeld. De navigatie van de chauffeur had dit niet juist weergegeven. Het betrof een nieuwe loods die nog niet in alle navigatiesystemen bekend bleek te zijn.
Levering te goeder trouw
Heeft de verkoper nu te goeder trouw geleverd? Mocht hij er in redelijkheid van uitgaan dat de leveringsinformatie van de koper juist was? Was er aanleiding om aan te nemen dat de informatie niet juist of volledig was? Dit zijn belangrijke vragen om te bepalen wie schadeplichtig is. Belangrijk als basisvoorwaarde is dat (ook internationaal gezien) partijen de verplichting hebben om elkaar goed te informeren over alle details van het transport en de plaats van de levering. Maar er kan ook sprake zijn van een misverstand en het feit dat de omstandigheden niet altijd meespelen, zoals het manco in de navigatie.
De koper en verkoper lijden schade
De verkoper neemt de goederen weer mee terug en lijdt schade omdat de goederen opnieuw één of meerdere dagen moeten worden opgeslagen in zijn loods terwijl hij er mee gerekend heeft dat die plek door nieuwe goederen gevuld zouden worden. De chauffeur die de niet-geleverde goederen weer mee terug moest nemen kon op die dag ook geen andere levering meer doen. De koper heeft goederen betaald maar niet geleverd gekregen. Zijn vervolgtransport heeft schade opgeleverd. Hij kon de goederen zelf ook niet op tijd doorleveren aan zijn klanten.
Wie moet nu opkomen voor welke schade en hoe is dat te voorkomen?
Als partijen elkaar goed kennen dan zal men proberen om een gulden middenweg te kiezen en de schade te delen. Men wil tenslotte niet zomaar een goede klant verliezen. Bij een nieuwe klant ligt dat wellicht anders. Als partijen er samen niet uitkomen dan zal men de schadeclaim bij een rechter neerleggen. De rechter zal bekijken wat partijen hebben afgesproken en of men zich vervolgens in redelijkheid als goede koper en verkoper heeft gedragen. Wat in zo ’n geval ook kan helpen is het opnemen van een specifieke bepaling in de algemene voorwaarden die partijen hebben aanvaard. In die bepaling kan men regelen dat men niet verantwoordelijk is voor de onmogelijkheid om goederen te leveren als men er in redelijkheid alles aan gedaan heeft, maar door omstandigheden toch verhinderd was om te leveren. Als bijvoorbeeld een groot bedrijventerrein zeer onoverzichtelijk is met een chaos aan sub-nummers, of als een terrein niet te bereiken is door wegwerkzaamheden etc. Het is dan aan de ontvangende partij om dat van tevoren goed door te geven. Partijen hebben immers de verplichting om elkaar over alle details te blijven informeren om een succesvolle levering te garanderen. Op deze manier hoeft de verkoper zoals hierboven omschreven in ieder geval niet de schade bij de koper te betalen en zou wellicht ook zijn eigen schade vergoed kunnen krijgen.
Willem de Wit
Het gebruik van Incoterms
Incoterms, ofwel International Commercial Terms, zijn internationale regels en voorwaarden over o.a. levering van goederen tussen koper en verkoper met grensoverschrijdende transacties. Ook de taakverdeling gedurende het transport en wie bepaalde kosten moet betalen horen bij deze regels. De incoterms worden uitgegeven door de Internationale Kamer van Koophandel en worden, met een aantal uitzonderingen zoals bv. het Verenigd Koninkrijk, over de hele wereld in handelstransacties toegepast. De Verenigde Staten hebben overigens hun eigen variant van incoterms.
Hoewel incoterms de handel tussen partijen makkelijker kan maken is het wel noodzaak om deze regels op een juiste en eenduidige manier toe te passen. Het komt vaak voor dat partijen in hun koop/verkoopcontract en algemene voorwaarden gebruik maken van een bepaalde incoterm, maar eigenlijk niet goed weten wat die incoterm precies regelt.
Een veelgebruikte incoterm is “ExWorks”. De verplichtingen en acties liggen hierbij vrijwel allemaal bij de koper. De verkoper hoeft in feite de verkochte goederen alleen maar voor transport “klaar te zetten” op zijn terrein. Het is aan de koper om de goederen bij de verkoper in te laden en voor het verdere transport en benodigde documenten te zorgen. Het ophalen of inladen bij de verkoper is een kritisch moment bij deze transactie. Als partijen vervolgens dingen gaan doen die niet met ExWorks in overeenstemming zijn dan kan dat grote gevolgen hebben. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat de verkoper aan de koper vraagt om de goederen uit zijn loods te verzamelen en vervolgens in te laden. Verkoper had het te druk en nog geen tijd om de goederen op het afgesproken moment klaar te zetten. Het verzamelen van goederen door de koper in de loods van verkoper is echter een handeling die niet bij ExWorks hoort. De verkoper heeft namelijk zelf de verplichting om de goederen kant en klaar voor transport gereed te hebben. Mocht tijdens het verzamelen van de goederen schade ontstaan dan is die schade contractueel niet gedekt en zal waarschijnlijk ook niet door een verzekeraar worden vergoed. Hoewel de koper onbeschadigde goederen heeft gekocht kan in dit geval de verkoper zich makkelijk beroepen op de contractuele afspraak ExWorks en is de koper verplicht om de beschadigde goederen te betalen en af te nemen.
Handelende partijen dienen zich altijd bewust te zijn dat zij ook daadwerkelijk handelen conform de afgesproken contractuele voorwaarden, ook als dat in een bepaald geval onredelijk over komt of geen goede service is.
Willem de Wit
[email protected]
Nieuwe afspraken tussen verkoper en koper na de koopovereenkomst
Een goede koopovereenkomst in combinatie met algemene voorwaarden zou in feite alle details moeten bevatten voor een succesvolle transactie. In de praktijk blijkt vaak dat partijen door nieuwe inzichten en feiten na de koopovereenkomst nadere afspraken maken om de transactie goed te kunnen afronden. Dat is niets bijzonders maar het is wel noodzakelijk dat die nadere afspraken op een goede manier gebeuren. Als dat niet goed gebeurd dan kan dat grote gevolgen hebben en schade veroorzaken.
Bijvoorbeeld: in de koopovereenkomst wordt een bepaald leveringsadres afgesproken. Later geeft de koper een nieuw afleveradres door aan de verkoper. Door vage communicatie of verkeerde interpretatie van e-mails of telefoongesprekken blijkt de verkoper die wijziging niet goed te hebben doorgekregen of niet goed te hebben begrepen. De verkoper levert de goederen toch op het oorspronkelijke adres. De koper ontvangt de goederen niet en meldt zich vervolgens bij de verkoper. De verkoper meent dat hij goed geleverd heeft volgens de koopovereenkomst en is zich van geen kwaad bewust. Hij heeft de betreffende e-mail niet gezien. Wie draait er nu op voor de mogelijke schade en hoe kan zo ’n situatie worden voorkomen?
Allereerst is het belangrijk dat de oorspronkelijke koopovereenkomst duidelijk aangeeft wat het afleveradres is van de gekochte goederen. De overeenkomst is immers wat partijen onderling hebben afgesproken. Komt er vervolgens een nieuw afleveradres dan moet de koper dat helder en schriftelijk aan de verkoper meedelen. De verkoper zou vervolgens een schriftelijke bevestiging terug moeten sturen. Dat kan ook via e-mail. Op die manier is het duidelijk dat de nieuwe afspraak tot stand is gekomen. Juridisch komt die nieuwe afspraak in de plaats van de oude contractuele afspraak. Het is wel verstandig om in de algemene voorwaarden bij een koopovereenkomst als bepaling op te nemen dat nieuwe afspraken tussen partijen in de plaats komen van de oude afspraken en daarmee de oude afspraken komen te vervallen. Zo wordt vermeden dat er meerdere en mogelijk tegenstrijdige afspraken ontstaan en het is tussen partijen ook meteen duidelijk dat de nieuwste afspraak de enige echte is.
Als partijen het maken van nieuwe afspraken niet goed hebben geregeld dan mag de verkoper, indien deze in goede trouw handelt, de goederen in principe op het oorspronkelijke adres afleveren. Dat is tenslotte het adres dat via de eerste koopovereenkomst is afgesproken en daar is formeel niets voor in de plaats gekomen. Dat is alleen anders als de verkoper in alle redelijkheid had moeten of kunnen weten dat het oorspronkelijke adres niet meer juist was.
Willem de Wit
Een vage opdracht leidt tot schade bij de koper
De Rechtbank in Rotterdam deed op 26 september 2018 uitspraak over de kwaliteit van een aangeschaft product. Door een vage opdracht leidt de koper onnodig schade.
Een koper had een speciale gordijnstof (folie) gekocht ten behoeve van een stalventilatiesysteem voor het regelen van luchtinlaat. Kosten €51.202,36. Koper en verkoper hadden al eerder zaken met elkaar gedaan en kenden daardoor elkaars bedrijf. Het was voor verkoper duidelijk dat de stof bedoeld was voor een stalventilatiesysteem. Verkoper ging er vanuit dat het gordijn als “beweegbaar zijgordijn” in de betreffende stal zou worden gebruikt. In een email had verkoper dat ook opgemerkt. De bedoeling in dit geval was echter om het gordijn als “val-gordijn” te gebruiken. Na de aanschaf van de gordijnstof bleek het gebruik van “herhaaldelijk strak opvouwen” als val-gordijn al snel gebreken in de folie te veroorzaken. De koper vond dat verkoper de ontstane schade moest vergoeden omdat het product blijkbaar niet deugdelijk was. De verkoper vond dat de koper duidelijker had moeten omschrijven waar de gordijnstof voor bedoeld was, omdat bij een gebruik als “zij-gordijn” die schade niet was ontstaan . De Rechtbank geeft de verkoper gelijk en wijst de vordering tot schadevergoeding van de koper af.
In aanvulling op algemene verkoopvoorwaarden die mogelijk van toepassing zijn hecht de rechter grote waarde aan wat partijen over en weer hebben gecommuniceerd en in redelijkheid van elkaar mogen verwachten. Daarmee is deze uitspraak volledig in lijn met het beroemde Haviltex arrest van de Hoge Raad uit 13 maart 1981 ( NJ1981,635).
Genoemde zaak is wederom een treffend voorbeeld hoe belangrijk het is dat partijen zo concreet mogelijk met elkaar onderhandelen en niet te snel aannemen dat de andere partij wel zal begrijpen wat de bedoeling is. In deze casus hangt het al dan niet toekennen van een schadevergoeding van €51.202,36 (nog afgezien van de geëiste gevolgschade) af van een juiste communicatie over de woorden “val” en “zij”-gordijn. Het is maar dat u het weet.
Willem de Wit
[email protected]
Uitsluiten van aansprakelijkheid in algemene voorwaarden
Wederom een uitspraak waarin blijkt dat een beroep op algemene voorwaarden als zodanig geen kans van slagen heeft omdat daarbij ook de omstandigheden van het geval een grote rol spelen. Zo toetst de rechter altijd op "redelijkheid en billijkheid" maar ook de feitelijk geleden schade in relatie tot het bedrag waarvoor men aansprakelijkheid erkent is niet onbelangrijk, zo blijkt uit deze uitspraak van het Hof in Den Bosch. Daarbij moet ook nog genoemd worden dat partijen zich voortdurend bewust moeten zijn van het feit dat hun gedragingen en communicatie over en weer eveneens toetsingsgronden zijn die bepalen wie schadeplichtig is.
Ondernemers die menen dat het hebben van algemene voorwaarden als zodanig voldoende is komen keer op keer van een koude kermis thuis.
Willem de Wit
[email protected]
Antennemast van 20m hoog in een woonwijk; afweging van belangen
Mag een gemeente een omgevingsvergunning verlenen voor het plaatsen van een antenne/zendmast van 20m hoog midden in een woonwijk?
Ja, dat mag. Het is zelfs zo dat het hebben van een dergelijke zendmast een recht is dat onder de zogenaamde "vrijheid van meningsuiting" valt, zoals vastgelegd in het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Artikel 10 lid 2 EVRM bepaalt echter dat dit recht beperkt mag worden als een overheid dit noodzakelijk vindt bv. bij afweging van belangen om overlast tegen te gaan.
Dat is precies waar het in de onderhavige zaak om draait. Enerzijds de belangen van de aanvrager/gebruiker van de zendmast en anderzijds de belangen van buren in de woonomgeving. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, heeft op 3 oktober 2018 uitspraak gedaan in een langslepende kwestie. (De volledige uitspraak is via bijgevoegde link te raadplegen).
De uitspraak is belangrijk genoeg om daar enige kanttekeningen bij te plaatsen.
De Afdeling concludeert dat de zendmast in kwestie "onevenredig bezwarend is" voor twee bezwaar makende buren, vanwege het feit dat de zendmast "pregnant aanwezig is in de woonwijk". Nu beide bezwaarmakers hebben aangegeven dat zij "zicht hebben" op de zendmast en daar hinder van ondervinden hebben zij "aannemelijk gemaakt dat de plaatsing van de mast een niet onaanzienlijke inbreuk maakt op hun woon- en leefomgeving", zo vindt de Afdeling. Zelfs als dat een subjectieve beleving is, is de zendmast in kwestie toch "onevenredig bezwarend voor dé omgeving". Dit mag een zeer vreemde gevolgtrekking van de Afdeling genoemd worden nu geen enkele andere omwonende, buiten de genoemde twee, bezwaar heeft gemaakt tegen de zendmast. Sterker nog, veel omwonenden hebben zelfs via een handtekeningenlijst aangegeven geen probleem met de mast te hebben.
Een andere opmerkelijke wending is dat dezelfde Afdeling op 28 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW0164) nog stelde dat bezwaarmakers niet enkel kunnen volstaan met een "beleving van visuele hinder" of het simpele feit van de "aanwezigheid van de industriële mast". Bezwaarmakers moesten aanvullend nog aantonen waarom de mast in kwestie voor hen dan zo bezwarend was. Van die verplichting is de Afdeling nu blijkbaar afgestapt. Blijft over dat een bezwaarmaker/belanghebbende slechts hoeft op te merken dat hij visuele hinder ervaart van een vergunde mast en het is aan de vergunningverlener (gemeente) om aan te tonen dat zo 'n zendmast "niet onevenredig bezwarend is" voor de bezwaarmaker en zijn omgeving. Een omgekeerde bewijslast dus.
Deze uitspraak zal ongetwijfeld de nodige impact in gemeenteland hebben omdat er in veel gemeenten dergelijke zendmasten voorkomen en worden vergund.
Willem de Wit
[email protected]
Anonimiseren van persoonsgegevens, schending van privacy
Een advocaat publiceert een arrest van de Hoge Raad op de website van zijn kantoor. Het betreft een zaak waarin hij zelf één van de partijen vertegenwoordigd. In de betreffende uitspraak zijn o.a. namen en toenamen m.a.w. persoonlijke gegevens van de partijen te lezen. De behandeling van de zaak was openbaar en het arrest is tevens te vinden in verschillende mediabronnen en o.a. op de website rechtspraak.nl
De tegenpartij/klager in deze zaak dient bij de Raad van Discipline (Tuchtrecht) een klacht in tegen de advocaat vanwege schending van privacy. De Raad beslist dat er geen sprake is van schending van privacy gezien de (openbare) omstandigheden van het geval (zie bijgevoegde beslissing).
Het lijkt erop dat de advocaat in kwestie geen zogenaamde "verwerkingsverantwoordelijke" onder de AVG was/is omdat hij geen klantrelatie met de klager had. In zoverre was aan hem door de klager geen persoonlijke informatie toevertrouwd die hij geacht was te beschermen.
Willem de Wit
[email protected]
Heeft een treinreiziger recht op een zitplaats?
U koop een treinkaartje (of heeft een ander vervoersbewijs) en verwacht voor het betaalde bedrag een tegenprestatie, nl. het vervoer van A naar B. Maar mag u ook verwachten dat u daarbij op een comfortabele wijze wordt vervoerd bv. door de garantie op een zitplaats?
Nee, zo oordeelt de rechtbank Midden-Nederland. Tussen reiziger en vervoerder bestaat een "vervoersovereenkomst" waarbij de vervoerder zich heeft verplicht om de reiziger (en eventuele bagage) "veilig te vervoeren". Juridisch gezegd; een resultaatsverbintenis. In die overeenkomst is geen zitplaatsgarantie opgenomen.
De benadeelde reiziger in kwestie moest €2247,- aan proceskosten betalen. Daar kun je heel wat treinkaartjes voor kopen....
Deze uitspraak roept wat mij betreft wel een andere vraag op. Wat nu als de reiziger genoodzaakt is om tijdens de reis in een overvolle trein te blijven staan en door abrupt remmen ontstaat er letsel? De vervoerder zou in dat geval niet hebben voldaan aan zijn verplichting "veilig vervoer".
Afhangende van de specifieke situatie zou een schadevergoeding in dit geval kans van slagen hebben, lijkt mij.
Willem de Wit
[email protected]